De Suzuki-methode gaat er vanuit dat iedereen kan leren. Zeker jonge kinderen hebben het vermogen om in korte tijd heel veel informatie te absorberen, als die maar op de juiste manier wordt aangeboden. Om al vroeg te kunnen beginnen, wordt gebruik gemaakt van de moedertaal-methode: door veel te luisteren, proberen, aanmoedigen en herhalen leert een kind uiteindelijk praten, en na het eerste woord volgt al snel een tweede en derde.

De samenwerking  tussen kind en ouder is heel belangrijk. Het kind probeert, de ouder geeft feedback, enzovoorts. De feedback die gegeven wordt moet altijd positief en opbouwend zijn, het kind moet leren wat hij wel moet doen in plaats van leren wat hij niet moet doen. Een kind durft dan fouten te maken, waarna de ouder kan helpen het kind weer de juiste weg te wijzen. Zo ontstaat er een veilige omgeving en kan het kind zich optimaal ontwikkelen.

In de vioolles komt er een derde factor bij: de docent. Een samenwerking tussen ouder, kind en viooldocent is vooral van belang bij heel jonge kinderen, tot een jaar of 8. De docent helpt de leerling tijdens de les op weg met technische moeilijkheden en allerlei oefeningen, de ouder ziet er op toe dat deze thuis zorgvuldig worden herhaald. Als je eenmaal iets per ongeluk op de verkeerde manier hebt ingestudeerd, duurt het best een tijdje voor je een “slechte gewoonte” hebt vervangen door een betere.


Tijdens de lessen zullen veel oefeningen uitgevoerd worden middels een spelletje of als een verhaaltje. Ook worden “speelgoedjes” gebruikt, waardoor alle moeilijke dingen die de kinderen moeten leren, meer aansluiten bij hun belevingswereld en maakt het leren leuk!

Bijna ongemerkt zijn we naast het leren vioolspelen ook bezig met het maken van mooie mensen. Door geduld, precisie, positiviteit, samenwerking, waardering, blijdschap, zorgzaamheid en nog andere te trainen, werken we aan een zogenaamd “beautifull heart”. Dr. Suzuki zegt: “Who has a beautifull tone, has a beautifull heart” .